About

For the English version scroll down.

‘Kunstenaars verklaring’ – Marinke Marcelis (NL 1983)

Al zo lang ik me heb ingelaten met de kunst ben ik op zoek naar de heilige graal. Via een lange reis door allerlei media, woorden en dagen, kwam ik tot de ontdekking dat ik die heilige graal zelf moest scheppen, elke dag weer opnieuw. Een domper natuurlijk. Ik begroef ritueel de konijnen die ik als ultieme critici had laten optreden. Konijnen die me hadden uit moeten leggen wie ik ben als kunstenaar, maar die voor dood bleven liggen.

Had Hegel gelijk? Naderde de kunst inderdaad zijn einde als kunst? Even leek het alsof er een oplossing denkbaar was en ik die graal alsnog te pakken kon krijgen: het ik zou volgens Hegel[1] in de taal tot zichzelf komen en zo alsnog werkelijk kunnen bestaan! Het was pas tegen de tijd dat ik in contact kwam met een Jehovah’s getuige dat ik de gevaren begon in te zien van de logica die binnen een taalspel besloten ligt. Als je het bestaan van God aanneemt, dan wordt het volledige systeem ook werkzaam, zo niet: dan klapt het hele systeem in elkaar.
Geconfronteerd met mijn eigen ‘religieuze denken’, kwam ik tot de conclusie dat Eva de held van Genesis is. Verleid om haar ogen te openen, waardoor ze het performatieve effect van de schijn onder ogen zag. Naakt en betekenisloos, maar met groots effect. Geloven werd moeilijk, dat had God verdomd goed in de gaten gehad, maar er aan kunnen ontsnappen was nog moeilijker. Of het nu geloof in God, de kunst, het decor, de marktwerking of de gezelligheid betreft, aan de kracht van de veronderstelling valt niet te ontsnappen, hoe kritisch of agressief dat witte konijn ook is[2].

De Jehovah’s getuige – die ik even anoniem laat – vertelde me dat God Eva niet zou vergeven voor haar gebrek aan onvoorwaardelijke gehoorzaamheid: ze zou nooit welkom zijn in het ‘spoedig te verwachten’ paradijs op aarde.
Als je het mij vraagt waren het in de eerste plaats toch God en zijn verleidelijke slang zelf, die Eva ontvankelijk maakte voor de verleidingen, die ze – in de eerste instantie, door zijn schepping – niet anders kon dan beproeven. De dode kunstenaar trapte zo nu en dan hard tegen de deksel van de zorgvuldig dichtgespijkerde houten kist en ik probeerde haar te negeren (ondertussen was er namelijk een menselijke tweeling uit mijn buik gekomen en die overstemde de dode kunstenaar met een niet te ontkennen aanwezigheid).

Ik begon te schrijven, over een kunstenaar die weigert nog werk te maken. Over iemand die beeldend werk alleen nog beschrijft in de letters op de bladzijden. Als de kunstenaar op een dag niet in staat blijkt een bepaald kunstwerk te beschrijven, uit een gebrek aan verbeeldingskracht, besluit ze om weer te gaan maken, ze moet wel. De dode kunstenaar kruipt half verteerd uit haar kist en beseft dat dit een prima uitgangspositie is: dood als kunstenaar, maar levend en wel.

En hey, uiteindelijk komen we nergens: we kunnen maar beter wat plezier maken! In de rottende haarvaatjes wreef de criticus ondertussen gniffelend in zijn handjes: humor is ook kritisch weet je…

De act die het geloven is en de overtuigingen en rituelen (in woord en beeld) die daar mee gepaard gaan, vormen het onderwerp van mijn denken en werk.



[1] G.W.F. Hegel, Fenomenologie van de geest (Uitgeverij Boom, 2003, pp. 164-165).

[2] Zie Monty Python and the Holy Grail: https://www.youtube.com/watch?v=TnOdAT6H94s

—————————————————————————————

‘Artist’ Statement

I am in search for the holy grail for as long as I’ve gotten myself involved into art.
By the end of a long journey in various media and in writing, it turned out that I had to create this holy grail myself, every day all over again. A bit of a downer of course. So I buried the inner critic (in person of a rabbit) together with my identity as an artist.

For a few years I studied philosophy to see if Hegel was right, and art indeed was dead. That ‘natural’ language would be enough to realize freedom after all. I was rather enthusiastic about this whole idealistic way of thinking.
It was by the time I met a Jehovah’s Witness, that I started realizing the possible dangers. She showed me the Bible’s logic: you’ve to assume that God is alive, otherwise the whole system collapses.
The power of assumption has great effect, even more if you’re willing to accept a certain ground, such as the existence of God, or Art as such.
By then I understood the recursive power of language games. And we all believe some stuff. So, confronted with my own ‘religious thinking’, I realized that Eve was the hero of Genesis. Tempted to open her eyes and see the perfomative effect of appearances. Naked and in lack of meaning, but with great effect. Believing became difficult, God was right about that.
The Jehovah’s witness told me that God wouldn’t forgive Eve for her disobedience, and that she would never be welcome in (‘soon to come’) paradise on earth.
Well I think it’s the bloody snake and God himself who enabled her to get tempted in the first place. Since the temptations are there, we might as well learn to deal with them ourselves.

The act of believing and how conviction works, that became my new subject matter.

The dead artist kicked and screamed now and then, but I tried to ignore her (by that time human twins were born, they came out of my belly and screamed even louder).
I started writing instead. About an artist who describes, but refuses to create her works of so called art. The pieces only existed in the story itself. One day however the artist was forced to create one of the art works because her imagination was lacking and description failed: there was more to it then the written word.

Step by step she crawled back on earth to become a dead artist, alive and kicking.

And hey, since finally we are getting nowhere[1], we might as well have some fun. And then the critic in his coffin started laughing: humor is critical too you know…

Marinke Marcelis (1983) 


[1] Finally we are getting nowhere (Fwagn). Name of a band formed by Peter van Drunen, Jan-Willem Versaevel and Jacko Boonman.